VGS
"En gij zult ze uw kinderen inscherpen en daarvan spreken, als gij in uw huis zit en als gij op de weg gaat, en als gij nederligt en als gij opstaat."
Deuteronomium 6 vers 7

Mozes is bezig om in opdracht van de Heere zijn afscheidsrede uit te spreken. Het volk is nog niet in Kanaän. Ze zijn nog aan ‘deze zijde van de Jordaan’ (Deut. 1 : 1). Nog even, en Mozes zal door de HEERE worden Thuisgehaald. Eerst heeft hij in opdracht van de Heere het volk verzameld en houdt hij hen nog één keer Gods heilzame geboden voor. Daarbij spreekt hij ook in alle ernst over de grote verantwoordelijkheid ten opzichte van het nageslacht. Dat geldt in de eerste plaats ouders, maar ook alle opvoeders, ambtsdragers, onderwijsgevenden, allen die bij onderwijzen zijn betrokken.

Wat is het doel? Dat lezen we in vers 2: ‘Opdat gij de HEERE uw God vreest, om te houden al Zijn inzettingen en Zijn geboden die ik u gebied, gij en uw kind en kindskind, al de dagen uws levens, en opdat uw dagen verlengd worden’. Is dat niet ten diepste het doel van al het werk van de VGS? Wat is het groot als het onderwijs zó gezegend mag worden! Voor Israël was het gevaar zo groot dat ze straks in Kanaän de grenzen die de Heere had gegeven in Zijn Woord en wet, zou overtreden of dat die grenzen zouden vervagen of helemaal uitgewist worden. Daarom klinkt hier in het land van Moab deze ernstige oproep tot een opvoeding in de lering en vermaning van de Heere. ‘Hoor dan, Israel’ (vers 3). Luister naar wat de HEERE spreekt. Dat heeft gezag en dat is tot zegen van ons en onze kinderen. En niet wat wij zelf denken of willen, of allerlei stemmen om ons heen aanprijzen. Is deze ernstige oproep niet blijvend nodig in 2021? Is het uw begeerte om daar hartelijk onder te buigen?

‘En gij zult ze uw kinderen inscherpen.’ Dat is dus een Goddelijk bevel, we moeten er eenmaal verantwoording van afleggen. Het gaat om de ziel van ons en onze kinderen. Dat is het belangrijkste. Toch? Of…zijn we vooral bezig met andere dingen in te scherpen? Bij inscherpen moeten we denken aan het slijpen of wetten van een wapen (kanttek. 4), zodat het geschikt gemaakt werd om te strijden. Dat gebeurde met een zgn. wetsteen, die steeds langs zo’n wapen werd gehaald. Dat moest nauwkeurig en zorgvuldig gebeuren. Dat vroeg ook tijd. Het moest ook steeds wéér gebeuren. Zo moeten wij onze kinderen Gods Woord, Zijn heilzame geboden inscherpen. Nauwkeurig en steeds weer. Thuis, op school en in de kerk. Met het gebed of de Heere het wil brengen in het hart. De Heere vraagt niet om onze kinderen te bekeren en te bewaren bij Gods inzettingen. Dat kunnen we niet. Dat is het werk van Gods Geest. Inscherpen wijst ons er op dat het hart van ons en onze kinderen weerbarstig en hart is. Van nature willen we niet luisteren naar de Heere, en zijn we ongehoorzaam aan al Gods geboden. Dat tekent onze diepe verlorenheid. Het wonder is dat de Heere nu kan, wat wij onmogelijk kunnen. Door Hem, de Zoon des Vaders, de Heere Jezus Christus, in Wiens hart de Woorden Gods waren. Die het in de stilte van de eeuwigheid gezegd heeft: ‘Ik heb lust o Mijn God, om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden Mijns ingewands.’ Het was Zijn hoogste vermaak om de wil van Zijn Vader te doen. Door Hem worden ongehoorzame kinderen gehoorzaam gemaakt en wordt de vreze des HEEREN gewerkt, waardoor de Heere weer verheerlijkt wordt.

De Heere werkt in de weg van de middelen. We lezen in de tekst dat we van dat Woord van God moeten spréken. Wanneer? ‘Als gij in uw huis zit en als gij op de weg gaat, en als gij nederligt en als gij opstaat.’ Overal en altijd, elke keer weer, het gaat de hele dag door. En voorop staat: ‘als gij in uw huis zit.’ Het begint dus thuis. Daar ligt de eerste verantwoordelijkheid. Dat werd beloofd bij het doopvont. Om naar uw vermogen uw kind te onderwijzen in de leer van de Heilige Doop; ze de drie stukken voor te houden, de twee wegen en de ene Naam tot zaligheid. Maar ook te doen en te helpen onderwijzen. Dat ziet onder andere op onderwijs gegrond op Gods onfeilbaar Woord en de daarop gegronde belijdenis. Voelen we de noodzaak daarvan nog steeds, net als onze voorgeslachten? Leeft u daarin mee, heeft het een plaats in uw gebed, bidt u voor de meester of de juf voor de klas, voor allen die bij het onderwijs zijn betrokken?

Ons hele leven moet dus doortrokken zijn van de Woorden van God. Daarbij is spreken alleen niet genoeg. Mag u het door genade ook voorleven? Zien ze in ons leven dat de dienst van de Heere een liefdedienst is? Dat het ons ernst is als het gaat om de Heere en Zijn dienst en hoe verschrikkelijk de zonde is? Dan moeten Gods Woorden in ons hart zijn (vers 5). Dat is er onlosmakelijk aan verbonden. Kennen we zelf iets van wat we anderen mogen voorhouden? Wie we ook zijn, ouder, opvoeder, ambtsdrager, onderwijsgevende. Het inscherpen begint vanuit het hart. Dan kennen we een binnenkamer: daar begint het inscherpen, op de knieën. Daar leren we dat wij onze kinderen niet bekeren kunnen en voor de zonde niet bewaren kunnen. Dan blijft aan onze kant alleen maar schuld over en moet ervaren worden dat het in eigen kracht zo onmogelijk is. Maar – dat is het wonder – het is niet onmogelijk bij God! Bij Hem is wijsheid voor hen die wijsheid ontbreekt. ‘Wie Hem need’rig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren’.

Door: ds. A.P. Baaijens, Aagtekerke, lid raad van toezicht van de VGS

 

Volgende keer:

"Maar blijft gij in hetgeen gij geleerd hebt en waarvan u verzekering gedaan is, wetende van wien gij het geleerd hebt, En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Christus Jezus is."
2 Timotheüs 3 vers 14 en 15