VGS

“Dát is een reformatorische onderwijzer, die zich niet laat leiden door angst voor de storm van de ontkerstening, die niet luistert naar moderne pedagogische inzichten, die zich niet laat leiden door de wil van het kind, maar die let op het onfeilbare kompas van Gods Woord.”
Citaat uit een lezing getiteld ‘De reformatorische school in een ontkerstende samenleving’ van prof. dr. W. van Vlastuin tijdens de ALV van de VGS in 1994.

Wie er voor de klas staat, is bepalend voor de identiteit van de school. De juiste papieren zijn weliswaar belangrijk, maar uiteindelijk komt het er toch op aan hoe de schoolorganisatie in de praktijk functioneert. Binnen die gemeenschap is de leerkracht identiteitsdrager én identificatiefiguur bij uitstek.

Dat heeft ook de ‘grondwetgever’ begrepen, want in artikel 23 van de Grondwet staat onder andere dat de overheid bij het stellen van eisen aan het onderwijs ‘de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende (…) de aanstelling der onderwijzers’ eerbiedigt. In de Algemene wet gelijke behandeling is een precair evenwicht gezocht tussen deze vrijheid voor instellingen en individuele wettelijke rechten op gelijke behandeling. Een nog verdere beperking van het benoemingsbeleid door de wetgever zou van dit onderdeel van artikel 23 een wassen neus maken.

Wij willen dat de overheid bij het formuleren en vaststellen van wetten en voorschriften de genoemde benoemingsvrijheid koestert. Voor het geven van christelijk–reformatorisch onderwijs aan kinderen en jongeren is het namelijk essentieel dat het personeel van harte achter de uitgangspunten van de school staat en die ook overtuigend mag uitdragen. Sterker nog: het gehele team, met de ouders, de leerlingen, bestuur(ders) en toezichthouders vormen een gemeenschap waarin kinderen gevormd worden op basis van Bijbelse waarden en normen.

Verder lezen: 

  • Murre, P., De Muynck, A., Vermeulen, H. (red.) (2012). Vitale idealen, voorbeeldige praktijken. Grote pedagogen over opvoeding en onderwijs. Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam.
  • Murre, P., De Muynck, A., Vermeulen, H. (red.) (2014). Vitale idealen, voorbeeldige praktijken II. Grote pedagogen over opvoeding en onderwijs. Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam.
  • Toes, R. (2020). Geloof in onderwijs, De Banier, Apeldoorn.
  • De Muynck, A., Kunz, A. (2021). Gidsen. Een christelijke schoolpedagogiek. KokBoekencentrum Uitgevers, Utrecht.

“Zij zijn niet van de wereld, gelijkerwijs Ik van de wereld niet ben. Heilig hen in Uw waarheid; Uw Woord is de waarheid.”
Johannes 17:16-17

“En zoekt den vrede der stad (…) en bidt voor haar tot den HEERE; want in haar vrede zult gij vrede hebben.”
Jeremia 29:7

Ieders leven is een voorbereiding op de eeuwigheid: wie tijdens zijn of haar leven God leert kennen en in Hem gelooft, mag na dit leven altijd bij Hem zijn.
Op dat hemelse burgerschap bereiden reformatorische scholen hun leerlingen voor, onder andere door hen met God bekend te maken via onderwijs uit de Bijbel. Onze burgerschapsvorming is daarom niet primair gericht op het hier en nu; we zijn immers als pelgrim onderweg naar onze definitieve bestemming in het hiernamaals.

Ondertussen hebben wij en onze leerlingen op aarde ook een taak: door woord en daad laten zien wat het betekent om in God te geloven, dat het voor iedereen goed is Hem te dienen.
We leren onze leerlingen vanuit het christelijk geloof te participeren in onze pluriforme samenleving en daaraan bij te dragen en daarvoor te bidden.
Naastenliefde tonen, trouw zijn en verantwoordelijkheid nemen zijn daarbij essentieel. Daarom leren we onze leerlingen zich dienstbaar op te stellen en het goede te zoeken voor de gemeenschappen waarvan ze deel uitmaken. Nationaal, maar nadrukkelijk ook internationaal: we weten ons verbonden met mensen in de hele wereld, in het bijzonder met onze geloofsgenoten.

Burgerschapsvorming is een taak van docenten op school, maar juist ook van ouders (als primaire opvoeders). Daarnaast hebben kerkelijke ambtsdragers hierin een eigen rol. Cruciaal voor ons is dat de vorming in die gemeenschappen inhoudelijk op elkaar aansluit. Daarom bepleiten wij ruimte voor scholen om hun burgerschapsonderwijs naar eigen inzicht in te kleuren, samen met gezinnen en kerken.

Verder lezen: 

“Het gaat [in het onderwijs] niet in de eerste plaats om een doel dat op de mens is gericht. Het leven van het kind heeft geen ander doel dan het zoeken van de eer van God en de naaste lief te hebben als onszelf.”
P. Kuyt, Het christelijk onderwijs en de vraag naar zijn doelstelling. In: Visie op het onderwijs, contouren van een gereformeerde beschouwing van de school, C. Bregman en I.A. Kole (red.) KOK educatief, Kampen, 1981.

Een helder curriculum en concrete kerndoelen en eindtermen – waarbij tevens ruimte is voor een schooleigen invulling – zijn belangrijke voorwaarden voor goed onderwijs. In deze wettelijke kaders staat namelijk aangegeven wat een leerling moet kennen en kunnen aan het einde van de schoolperiode (basis en voortgezet onderwijs). Scholen kunnen hun onderwijs met behulp van deze kaders planmatig vormgeven.

Een belangrijk uitgangspunt in het Nederlandse onderwijsstelsel is dat de overheid wel bepaalt wat scholieren moeten leren, maar dat scholen zelf bepalen hoe ze dat doen: scholen genieten dus vrijheid en ruimte om het curriculum naar eigen inzicht en overeenkomstig de grondslag van de school in te vullen. Hoewel de onderwijskwaliteit een aanhoudende zorg van de overheid is, zijn de scholen vrij om invulling te geven aan dit onderwijs door onder andere leermiddelen en methodes te kiezen en personeel te benoemen. Dit uitgangspunt sluit aan bij het recht van ouders om hun kinderen op te voeden vanuit hun godsdienstige of filosofische opvattingen. Dit past bij de grote diversiteit in de samenleving.

Onderwijs geven is veel meer dan het toewerken naar kerndoelen die de overheid heeft vastgesteld. In het curriculum krijgen dus veel meer zaken een plaats dan alleen kwalificatie. Ook socialisatie en persoonsvorming zijn wezenlijk. Wij geloven dat onderwijs primair bedoeld is om kinderen te begeleiden tot zelfstandige persoonlijkheden die God dienen overeenkomstig Zijn Woord en vanuit die identiteit bijdragen aan de samenleving. Het curriculum is daarin een waardevol hulpmiddel.

Verder lezen: 

‘Gods Woord en de christelijke leer, zoals die aan de Schrift ontleend in het gereformeerd belijden, behoren onze pedagogische grondhouding en totaalvisie te bepalen. Op het hele onderwijs rust immers de imperatief van God Zelf, die door de hele Bijbel tot ons komt.’
Ds. M. Golverdingen, Inspirerend onderwijs, de pedagogische opdracht van de reformatorische school, Groen, Heerenveen, 2003.

Neutraal onderwijs bestaat niet. Élke school heeft zijn eigen kleur en karakter, ofwel: identiteit. Dat ‘eigene’ doortrekt de hele schoolcultuur en onderwijsinhoud, zoals thee smaak geeft aan een kop gekookt water. Die uniciteit moet uitgangspunt blijven en niet verworden tot ‘kers op de taart’. Ons ideaal is dat iedere school zich baseert op de Bijbel en dat alle kinderen naar een christelijke school gaan, zodat ze allemaal God kunnen leren kennen en liefhebben.

Ons huidige pluriforme onderwijsbestel biedt alle scholen volop ruimte werk te maken van hun identiteit, om waarden en normen over te dragen. De overheid waarborgt die vrijheid, zodat ook minderheden naar eigen inzicht onderwijs kunnen verzorgen.

De overheid moet scholen stimuleren zich te onderscheiden:

  • Dat bevordert diversiteit: voor ouders en leerlingen valt er dan echt iets te kiezen.
  • Binnen de schoolgemeenschap werken een gedeelde visie en missie samenbindend.
  • Bovendien biedt dat ruimte aan leerkrachten – de identiteitsdragers bij uitstek – om vanuit hun godsdienst of levensbeschouwing onderwijs te geven en leerlingen te vormen in lijn met hun opvoeding thuis.

Essentieel voor het levend houden van de schoolidentiteit is dat alle actoren rond de school betrokken zijn en blijven bij de bezinning op en vormgeving van die identiteit.

Verder lezen

  • VGS (2018). Identiteitsprofiel en handreiking.
  • Golverdingen, M. (2003). Inspirerend onderwijs, de pedagogische opdracht van de reformatorische school. Groen, Heerenveen.
  • Van Vlastuin, W. (2019). Voor hart en hoofd. Een essay over Christus-identiteit in het onderwijs. De Banier, Apeldoorn.
  • Kersten, G.H. (2022). Van jongs af aan geleerd. Bijbels onderwijs voor school en gezin. De Banier, Apeldoorn.
  • VBSO (2023). Bijbels onderwijzen, Uitgangspunten voor christelijk onderwijs. De Banier, Apeldoorn.

‘Een hoeksteen van het ministerieel beleid is de kansengelijkheid voor iedereen. Iedere leerling, ongeacht het milieu waar deze uit komt, moet even grote kansen hebben in het onderwijs. Een uitgangspunt waar we van harte achter staan.’
Drs. M. Burggraaf, DRS Magazine, 2e jaargang, no. 7, september 1974

Iedere leerling moet – ongeacht het milieu waaruit hij komt – even grote kansen hebben in het onderwijs. God leert ons in de Bijbel dat ieder mens gelijkwaardig en waardevol is. Elk kind moet dus tot bloei kunnen komen.

Daarom is het goed om van iedereen op school hoge verwachtingen te hebben; dat stimuleert hen zich te ontplooien. Tegelijk is elk kind uniek, met z’n eigen talenten en beperkingen. Dat vraagt om een persoonsgerichte benadering. Dat houdt ook in dat we niet eenzijdig focussen op leerlingen die goed zijn met het hoofd (cognitief), maar ook met het hart en met de handen.

Onderwijs geven we aan individuele kinderen, maar is altijd een groepsaangelegenheid. Hamvraag is: hoe bied ik goed onderwijs aan álle leerlingen, wat is goed voor iedereen? In scholieren met een achterstand moeten scholen extra investeren. Maar dat niet alleen: kansenongelijkheid aanpakken, begint bij de leerling thuis. Prioriteit moet daarom zijn om ouders die dat nodig hebben, te ondersteunen in de (op)voeding van hun kinderen. Dat kan de overheid doen, maar ook de familie, kerk, buurt en verenigingen hebben een rol. Daag scholen daarom uit om de banden met ouders, kerken en andere stakeholders aan te halen.

Stimuleer, tot slot, (de vorming van) brede scholengemeenschappen met meerdere schoolsoorten en niveaus; leerlingen komen daar sneller leeftijdsgenoten met een andere achtergrond tegen. Bovendien is op- en afstromen daar gemakkelijker.

Verder lezen

‘Als u het werk der opvoeding getrouw en voorspoedig zult doen, dan zult u als christenen u meer verblijden over de zegen voor de ziel van uw kinderen dan over alle rijkdom.’
J. Koelman, De plichten der ouders, Den Hertog, Houten/Utrecht, 1982, p. 29.

Kinderen zijn een gave van God en behoren Hem toe. Hoe we met die kinderen omgaan is daarom niet in de eerste plaats aan onszelf. Christelijke ouders beloven met de doop om hun kinderen naar Gods wil op te voeden. Die opvoeding vindt primair thuis plaats. Een christelijke opvoeding zou je de belangrijkste vorm van ouderbetrokkenheid kunnen noemen.

Vervolgens sturen ouders hun kinderen naar een school, die – vanuit haar specifieke rol en taken – bijdraagt aan die opvoeding. De doopbelofte en verantwoordelijkheid blijven echter bij de ouders liggen, wat niet kan zonder betrokkenheid bij de school: zowel met het hart als praktisch. Voorbeelden hiervan zijn: in het gezin de school opdragen in het gebed, praktische ondersteuning (door bijvoorbeeld leesouders), het lid zijn van de schoolvereniging en het meeleven met de dagelijkse schoolpraktijk.

De christelijk-reformatorische school beschouwen we als het ‘eigendom’ van de gemeenschap. Een gemeenschap waarin samen wordt gewerkt in gehoorzaamheid aan de genoemde doopbelofte. Naast ouders, nemen natuurlijk ook de leerlingen een zeer belangrijke positie in die gemeenschap in. Vorm en inhoud van hun inbreng is mede afhankelijk van hun leeftijd en van de onderwerpen waarover het gaat.

De positie van ouders wordt bevestigd door bijvoorbeeld de Wet medezeggenschap scholen, waarin gesproken wordt over het ‘recht op invloed’ van de ouders. Uit bovenstaande volgt dat de overheid wat ons betreft zeer terughoudend zou moeten zijn om via de school als opvoeder op te treden.

Verder lezen

  • Capellen, G.J. Kerk en onderwijs. In: VGS (1996). Om identiteit en kwaliteit, Den Hertog, Houten.
  • De Vries, P. (2010). Handboek Ouders in de school, CPS, Amersfoort.
  • Vergunst, A. (1981). Enkele gedachten over gezin en kerk in relatie tot de school bij onze gereformeerde vaderen. In: Bregman, C.& Kole I.A. (red) (1981). Visie op het onderwijs. Contouren van een gereformeerde beschouwing van de school. KOK educatief, Kampen.

Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is. Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was.
Filippenzen 2: 4 en 5

In deze tijd van individualisering staat de gemeenschapszin onder druk: de sociale cohesie – de bereidheid om samen met anderen, ook van buiten je eigen gemeenschap, te leven en te werken – verbrokkelt. Scholen hebben de opdracht om sociale cohesie te bevorderen, en daarmee segregatie tegen te gaan. De school is namelijk een oefenplaats voor en een voorbereiding op participatie in de samenleving. In het onderwijs merken we daar een toegenomen bewustzijn voor, ook in de reformatorische scholen. De scholen nemen vanuit de eigen identiteit kennis van de (ontwikkelingen in de) samenleving en brengen leerlingen in contact met de diversiteit in de samenleving. Tegelijkertijd is de winstwaarschuwing dat het onderwijs geen panacee voor alle kwalen, geen duizend dingen doekje, is. De invloed van onder andere de thuissituatie is, ook in het leren omgaan met de veelkleurige maatschappij, primair van belang.

Het is een misvatting dat opgroeien in een homogeen milieu – waarin de thuissituatie, de kerk en de school bij elkaar aansluiten – zorgt voor segregatie. ‘Hokjesscholen’ zouden integratie in de samenleving in de weg staan. Uit onderzoek blijkt het tegendeel, namelijk dat opgroeien in een eenduidige waardengemeenschap juist zorgt voor een bovengemiddelde participatie in de samenleving. Dat vraagt enerzijds om een heldere identiteit van de school waar leerlingen gevormd worden én anderzijds vraagt het om een open houding om vanuit eigenheid de ontmoeting met de ander aan te gaan. Juist wie zelf goed geworteld is in een samenhangend mens- en wereldbeeld kan de anderen met liefde en belangstelling ontmoeten.

Verder lezen

Een sociaal veilige school is voor ons een school waarin iedereen wordt beschouwd en behandeld als een waardevol schepsel van God en een gerespecteerd lid van de leer- en werkgemeenschap, door Gods leiding in de school samengebracht.
VGS (2021). Visienota sociale veiligheid en seksuele diversiteit.

Sociale veiligheid is van groot belang, omdat het een Bijbelse opdracht is om God lief te hebben boven alles en de naaste als onszelf. Sociale veiligheid betekent dat het welbevinden van de ander niet wordt aangetast, maar juist bevorderd. We zien sociale veiligheid als voorwaarde voor kwalitatief goed onderwijs. Een leerling die zich veilig voelt op school en zelfvertrouwen heeft, staat meer open voor de lesstof.

We geloven dat sociale veiligheid als gevolg van de zonde niet vanzelfsprekend is. We leven in een gebroken wereld en dat merken we helaas ook in de manier waarop we met elkaar omgaan. Daarom begint werkelijke veiligheid bij bekering, ons leven in dienst van God stellen, bidden om Zijn hulp en Zijn geboden gehoorzamen en daarmee ook het goede zoeken voor de mensen om ons heen. De school beschouwen we als leer- en oefenplaats voor sociaal gedrag, waar personeelsleden de leefwereld van de leerlingen kennen en problemen en incidenten professioneel worden aangepakt.

We geloven niet dat leven naar eigen inzicht veiligheid biedt. Aangezien wij zondaren zijn, levert dat juist onveiligheid op. We geloven daarom dat gezag, regels en orde nodig zijn.

Verder lezen

  • VGS (2021). Visienota sociale veiligheid en seksuele diversiteit.

Altijd, maar in het bijzonder in onze ver geseculariseerde samenleving, is een gereformeerde vorming waarbij gezin, kerk en school elkaar ondersteunen van essentieel belang.
Ds. M. Golverdingen, Inspirerend onderwijs, de pedagogische opdracht van de reformatorische school, Groen, Heerenveen, 2003, p.52.

Vrijheid op het gebied van toelatingsbeleid is een belangrijk onderdeel van de vrijheid van onderwijs. Als scholen zelf mogen vaststellen wie ze wel en niet toelaten, geeft hun dat de ruimte om een waardengemeenschap te vormen met (min of meer) gelijkgestemden.

  • Veel reformatorische scholen zien het als hun opdracht om – als waardengemeenschap binnen de eenheid van gezin, school en kerkelijke gemeente – het onderwijs bij de opvoeding te laten aansluiten. Deze scholen verkiezen een ‘gesloten’ toelatingsbeleid waarin alle ouders de grondslag van de school onderschrijven.
  • Andere reformatorische scholen kiezen deels voor een ‘open’ toelatingsbeleid, omdat zij dit als een mogelijkheid zien om leerlingen buiten hun traditionele achterban kennis te laten maken met de uitgangspunten van de school. Hiervoor is het dan wel noodzakelijk dat ouders en leerlingen weten wat er van de (identiteit van de) school verwacht mag worden en dat ouders de grondslag van de school respecteren.

Het is van belang om als school helder te zijn over het toelatingsbeleid en wat dat van de school, maar ook van de ouders vraagt.

Verder lezen

Het geven van onderwijs is vrij.
Artikel 23 Grondwet, lid 2.

Iedere school – van openbaar tot bijzonder – heeft een bepaald wereld- en mensbeeld, gegrond op uiteenlopende inspiratiebronnen. Die kijk op het leven bepaalt bijvoorbeeld wat je kindbeeld is als onderwijzer, welke waarden je wilt overdragen en hoe je waarden als naastenliefde en respect inhoud geeft.

De onlosmakelijke koppeling tussen religieuze of levensbeschouwelijke grondslag, onderwijs en opvoeding wordt door de hedendaagse trends alleen maar versterkt. Denk aan de toegenomen pluriformiteit in onze samenleving en aan de vernieuwde burgerschapsopdracht, waarbij de scholen ‘respect voor basiswaarden’ moeten bijbrengen.

Die koppeling maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat ons stelsel een gevarieerd scholenpalet mogelijk maakt. Als onderdeel van de ‘civil society’ (of het maatschappelijk middenveld) zijn scholen geen verlengstuk van de staat, maar hebben ze een eigen verantwoordelijkheid om waarden en normen over te dragen op de jongere generatie. Niet de overheid, maar de ouders van leerlingen bepalen welke ‘kleur’ onderwijs ze voor hun kind(eren) wensen. Op die manier kan worden gewaarborgd dat het onderwijs op school aansluit bij de opvoeding in het gezin.

Maar ook voor de democratische rechtsstaat is het hard nodig dat de ‘civil society’ actief blijft. Dat er dus een goed gefaciliteerde vrijheid is om schoolgemeenschappen rond levensvisies te hebben, met onafhankelijke reflectie op staat en samenleving. Ruimte bieden aan minderheden en hun opvattingen in het publieke domein draagt bij aan een vitale democratie waarin iedereen kan meedoen en dus betrokken is.

Verder lezen

Op zoek naar een woordvoerder per thema? Ga naar de pagina persvoorlichting.