20 juli 2018

De Onderwijsraad over de lumpsumbekostiging

Administratiekantoor, VGS, Reformatorisch onderwijs, Onderwijs

De Tweede Kamer heeft de Onderwijsraad gevraagd om kritisch te kijken naar de manier hoe de overheid het onderwijs bekostigt en de mogelijkheden voor verantwoording van de ingezette middelen. Recent heeft de Onderwijsraad een rapport gepubliceerd over inzicht in, en verantwoording van onderwijsgelden. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste uitkomsten.

Moet de lumpsumbekostiging blijven?
De Onderwijsraad is hier duidelijk over; lumpsumbekostiging moet blijven. Er zijn diverse varianten onderzocht waarbij de lumpsum het meest recht doet aan de autonomie van onderwijsinstellingen en de stabiliteit en continuïteit van de bekostiging. Wel zijn er verbeteringen wenselijk.

De complexe vormgeving van het bekostigingsstelsel vormt een belemmering om inzicht te krijgen in de besteding van de lumpsum. Met de invoering van de lumpsum hebben onderwijsinstellingen meer beleidsruimte gekregen om beter in te kunnen spelen op de lokale situatie. In de bekostiging wordt echter gewerkt met diverse parameters en normbedragen die ten onrechte een sturende werking kunnen hebben. Voorbeeld is het verschil tussen personele en materiële bekostiging. De raad ondersteund dan ook het voornemen om dit samen te voegen tot één bedrag per leerling.

Is de bekostiging wel voldoende?
Zo lang de huidige bekostiging bestaat is deze discussie gevoerd. Regelmatig wordt geroepen dat er te weinig geïnvesteerd wordt in het onderwijs, terwijl er ook discussie is over mogelijk oplopende reserves in het onderwijs. Helaas kan de Onderwijsraad geen eenduidig antwoord geven op de gestelde vraag.

De overheid heeft als taak om in een dekkende bekostiging te voorzien. Er is echter verschil tussen een minimale eis enerzijds en verwachtingen van de maatschappij anderzijds. Het kan dus zo zijn dat de middelen die bij de wet zijn vastgelegd niet voldoende zijn om aan de wensen van de maatschappij en huidige situatie van het onderwijs te voldoen.

De stelling dat er sprake is van oplopende reserves wordt tegengesproken. De Inspectie van het Onderwijs heeft na nader onderzoek geconstateerd dat instellingen overheidsgeld niet oppotten.

Het antwoord op de vraag of bekostiging voldoende is, is niet te beantwoorden zolang er beperkt inzicht is in de inkomsten en uitgaven. De raad adviseert daarom te evalueren of de totale bekostiging wel voldoende is om in de maatschappelijk gevraagde doelen te kunnen voorzien.

Meer zicht op doelmatigheid van bestedingen
Om vraagstukken als toereikendheid van de bekostiging en juiste besteding van onderwijsmiddelen te kunnen behandelen is een beter inzicht in de uitgaven van scholen nodig. Volgens de raad moet daarom meer toegewerkt worden naar een omschrijving van doelmatigheid van bestedingen. Dit inzicht ontbreekt nog. Volgens de raad zijn hier drie stappen voor nodig:

1.     Beleidsrijk begroten; doelen stellen en die koppelen aan het financiële beleid. Financiële consequenties van beleidskeuzes moeten worden verwerkt in de meerjaren begroting. Hierbij zijn inhoudelijke doelstellingen leidend bij het maken van financiële keuzes. Er wordt dus vastgelegd welke bestedingen uit de bekostiging gekoppeld zijn aan bepaalde beleidsdoelen.

2.     Effectiviteit van beleid vaststellen; evalueren of de doelen gehaald zijn. Hiervoor moet helder zijn wat de doelen zijn en moet rekening gehouden worden met factoren die het resultaat kunnen beïnvloeden.

3.     Doelmatigheid van beleid evalueren: beoordelen van de kostenefficiëntie van beleid.

Moet er meer verantwoording komen?
Verantwoording en toezicht zijn volgens de raad belangrijke manieren om tekortkomingen van de bekostiging te ondervangen. Omdat de overheid met de bekostiging bestedingsvrijheid laat, is verantwoording een noodzakelijke voorwaarde. Voordeel van lumpsumbekostiging is echter dat de administratieve last voor verantwoording laag is. Dat moet zo blijven. Volgens de raad is het daarom meer zaak dat bestaande organen, zoals de raden van toezicht, hun rol (als toezichthouder of gesprekspartner) ook echt waar gaan maken.

Heeft u behoefte om door te spreken over bovenstaande? Neem gerust contact op met Sander den Hartog.

Heeft u een vraag?

Neem dan contact op met Sander den Hartog MSc
  s.denhartog@vgs.nl
  0180-44 26 98
  06-10 99 33 00