Het kabinet kan de Wet bevordering bestuurlijke kwaliteit en integriteit in het funderend onderwijs maar beter intrekken, vinden de VGS, VBSO en andere profielorganisaties.
Met dit wetsvoorstel worden extra eisen gesteld aan besturen en intern toezicht van scholen. Tot 17 april was het mogelijk daarop te reageren.
De wet ‘zet vanuit een kennelijke maakbaarheidsgedachte sterk in op formele structuren en regels’, constateren de gezamenlijke profielorganisaties in hun reactie. ‘Alsof het voldoen aan die regels als vanzelf leidt tot goed bestuur.’
De koepelorganisaties denken dat een cultuur van transparantie en het goede gesprek meer zal bijdragen aan goed bestuur. We adviseren het kabinet daarop in te zetten en dat te stimuleren.
Abstract
De profielorganisaties onderschrijven vanzelfsprekend het belang van goed bestuur, integriteit en zorgvuldig gebruik van publieke middelen.
Genoemd wetsvoorstel helpt daar niet voldoende bij. Integendeel, de wet is onzes inziens onvoldoende overtuigend onderbouw en op meerdere punten problematisch:
- De doelstellingen blijven abstract (“bevordering van bestuurlijke kwaliteit”), zonder duidelijke operationalisering;
- Tegelijkertijd introduceert het voorstel nieuwe instrumenten die naast bestaande governancecodes en toezichtmechanismen komen. Daardoor ontstaat eerder meervoudige sturing dan eenduidige sturing;
- Daarnaast vertrekt het wetsvoorstel sterk vanuit een logica van beheersing en risicobeperking, terwijl goed onderwijsbestuur juist vraagt om ruimte, vertrouwen en richting vanuit waarden.
Voor goed bestuur en toezicht is allereerst een sterke innerlijke motivatie vereist om het goede te doen voor de kinderen, de medewerkers, de organisatie en haar doelstelling. ‘Deze morele context en inbedding laat zich niet creëren door regelgeving en toezicht’, stellen de profielorganisaties.
Diffusere rolverdeling
Ze constateren verder dat de rolverdeling tussen bestuur, intern toezicht, inspectie en minister met deze wet niet scherper wordt, maar juist diffuser. ‘Het wetsvoorstel lijkt de balans te verschuiven door meer directe invloed van de overheid op interne bestuurlijke aangelegenheden van schoolbesturen toe te kennen, bijvoorbeeld via nieuwe bevoegdheden rond geschiktheid en benoembaarheid van bestuurders en intern toezichthouders. Daarmee ontstaat het risico op overlap tussen intern toezicht, inspectietoezicht en overheidsinterventie.’
Het Nederlandse onderwijsstelsel is gebaseerd op een belangrijke constitutionele balans: publieke bekostiging in combinatie met vrijheid van oprichting, inrichting en richting. Door verdergaande wettelijke eisen te stellen aan governance en benoemingen verschuift het stelsel richting meer directe overheidssturing van onderwijsorganisaties. ‘Dat past niet goed bij de traditionele inrichting van het Nederlandse onderwijsbestel’, aldus de profielorganisaties.
Afbreuk
Aanvullend op de gezamenlijke reactie van de profielorganisaties pleiten VGS en VBSO ervoor om de voorgestelde wettelijke maximumtermijn voor bestuurders en toezichthouders te schrappen.
De achterliggende gedachte, namelijk het tegengaan van machtsconcentratie en ‘persoonlijke vergroeiing’ bij toezichthouders met de organisatie, onderschrijven wij. ‘Het specifieke middel van een harde, wettelijke maximumtermijn kan in lokale situaties, waar de gemeenschapszin een leidend bestuursprincipe is, echter juist afbreuk doen aan de bestuurs- en toezichtskwaliteit.’
De meeste van de bij VGS en/of VBSO aangesloten schoolbesturen worden bestuurd vanuit gemeenschapszin als leidend principe. Het kostbare bezit van de school is in die visie toevertrouwd aan de lokale (christelijke) gemeenschap. Met name voor het toezicht worden capabele mensen uit deze gemeenschap benoemd, die zich mede daardoor intrinsiek gemotiveerd weten om de schoolorganisatie te dienen, met haar identiteit en onderwijsopdracht, en daarmee de gemeenschap.
Zo begint de gemeenschapszin die in onze visie noodzakelijk is voor goed onderwijs, al bij bestuur en toezicht. In concrete situaties kan dat af en toe te veel spanning opleveren met een maximumtermijn van acht jaar voor toezichthouders.
Onzekerheidsfactor
In het wetsvoorstel staat dat in de statuten een maximale termijn en een maximaal aantal verlengingen voor bestuurders moeten worden vastgelegd. Voor bestuurders is het echter doorgaans hun baan, betogen VGS en VBSO, en daar zou dan een grote onzekerheidsfactor in ontstaan. ‘Bovendien is niet duidelijk waarom het nodig is, nu toezichthouders de taak hebben om bestuurders die onvoldoende functioneren uiteindelijk ook naar huis te sturen.‘
Het aantal maximale termijnen voor de intern toezichthouder is nu vastgelegd in de sectorale governancecode. Dat is afdoende. Aan de wettelijke vastlegging hiervan kleven bezwaren.
Nu kan een schoolbestuur/RvT besluiten dat intern toezichthouders in bepaalde gevallen een langere termijn zitting hebben, wanneer specifieke omstandigheden rechtvaardigen dat van de code wordt afgeweken.
In de praktijk is bij schoolbesturen in onze achterban meermalen gebleken dat soms langere termijnen zeer gewenst kunnen zijn om de kwaliteit van bestuur en toezicht te blijven versterken.