De Hoge Raad heeft op 21 april 2026 twee belangrijke uitspraken gedaan over de vrijstelling van de leerplicht wegens overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs (artikel 5 onder b Leerplichtwet 1969). Daarbij verduidelijkt en verscherpt de Hoge Raad het toetsingskader, vooral voor bezwaren tegen openbaar onderwijs.

De kern van de uitspraken is dat een beroep op deze vrijstellingsgrond ten aanzien van openbaar onderwijs alleen nog kan slagen als wordt aangetoond dat alle openbare scholen binnen redelijke afstand van de woning, voor zover zij onderwijs geven over godsdienstige, levensbeschouwelijke of maatschappelijke onderwerpen, dit niet op een objectieve, kritische en pluralistische wijze doen. In de praktijk zal een beroep op deze vrijstelling daarom nog slechts in uitzonderlijke gevallen worden gehonoreerd.

Achtergrond van de zaak

De zaak betrof ouders die op grond van hun soefistische geloofsovertuiging (Tasawwuf) vrijstelling vroegen van de verplichting hun dochter in te schrijven op een school. Hun bezwaren richtten zich tegen alle scholen in de omgeving, inclusief het openbaar onderwijs.

De leerplichtambtenaar oordeelde dat de ouders hun bezwaren onvoldoende concreet hadden onderbouwd en zich onvoldoende hadden georiënteerd op het beschikbare onderwijsaanbod. Uiteindelijk volgde strafrechtelijke vervolging.

Oordeel van het hof

Het gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de bezwaren tegen diverse bijzondere scholen voldoende concreet en zwaarwegend waren. Ten aanzien van het openbaar onderwijs vond het hof echter dat de ouders onvoldoende hadden aangetoond hoe hun dochter door het onderwijs in haar geloofsontwikkeling zou worden geschaad.

Volgens het hof waren algemene bezwaren tegen confrontatie met andere overtuigingen, mogelijke twijfel aan het eigen geloof of het ontbreken van onderwijs volgens de leer van de Tasawwuf onvoldoende concreet om een vrijstelling te rechtvaardigen.

Oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad bevestigt dat bezwaren tegen de richting van het onderwijs moeten voortkomen uit ernstige godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuigingen én voldoende concreet en zwaarwegend moeten zijn. Daarbij moet worden gekeken naar alle scholen binnen redelijke afstand van de woning.

Voor openbaar onderwijs geldt dat bezwaren niet kunnen zijn gericht tegen neutrale kennisoverdracht over verschillende religieuze, levensbeschouwelijke of maatschappelijke opvattingen. Alleen wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat deze kennisoverdracht niet objectief, kritisch en pluralistisch plaatsvindt, kan sprake zijn van overwegende bedenkingen.

Hiermee scherpt de Hoge Raad zijn eerdere rechtspraak aan. Bezwaren tegen het neutrale karakter van openbaar onderwijs zijn voortaan onvoldoende voor een geslaagd beroep op de vrijstellingsgrond.

Conclusie

De Hoge Raad oordeelde dat de ouders in deze zaak geen recht hadden op vrijstelling van de leerplicht. Voor de praktijk betekent dit waarschijnlijk dat een beroep op artikel 5 onder b Leerplichtwet ten aanzien van openbaar onderwijs nog slechts in zeer uitzonderlijke situaties zal slagen.