Een docent die tijdens een les een leerling een schop gaf, verliest niet automatisch zijn recht op een WW-uitkering. Dat blijkt uit een recente uitspraak van de Rechtbank Rotterdam (ECLI:NL:RBROT:2026:10421). De uitspraak laat zien dat een dringende reden voor ontslag niet zonder meer betekent dat een werknemer ook volledig verwijtbaar werkloos is in de zin van de Werkloosheidswet.
Achtergrond van de zaak
De zaak speelde bij het Scheepvaart en Transport College (STC) in Rotterdam. Een docent, die bijna tien jaar in dienst was, gaf tijdens een les een leerling een schop tegen het achterwerk. Voor de werkgever vormde dit aanleiding om ontbinding van de arbeidsovereenkomst te verzoeken.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2024 wegens verwijtbaar handelen van de werknemer. Vervolgens kende het UWV aan de werknemer een WW-uitkering toe.
Omdat het STC eigenrisicodrager is voor de WW, komen de kosten van de uitkering voor rekening van de onderwijsinstelling. De werkgever was het daarom niet eens met het besluit van het UWV en stelde beroep in.
Standpunt van de werkgever
Volgens het STC was sprake van een zodanig ernstige gedraging dat de werknemer geen recht meer zou moeten hebben op een WW-uitkering. De onderwijsinstelling vond dat het UWV onvoldoende zelfstandig onderzoek had gedaan naar de feiten en te veel was uitgegaan van de beschikking van de kantonrechter.
Volgens de werkgever had het UWV zelfstandig moeten beoordelen of sprake was van een dringende reden voor ontslag en of de werknemer daarvan in overwegende mate een verwijt kon worden gemaakt. In dat geval had volgens het STC een blijvende en gehele weigering van de WW-uitkering moeten volgen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank benadrukt dat een dringende reden voor beëindiging van het dienstverband niet automatisch leidt tot volledige weigering van een WW-uitkering.
Voor de beoordeling van het recht op WW moet worden vastgesteld of de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden. Daarbij is niet alleen van belang of sprake is van een dringende reden voor ontslag, maar ook in welke mate de werknemer daarvan een verwijt kan worden gemaakt.
Wanneer een werknemer niet in overwegende mate verwijtbaar heeft gehandeld, kan het UWV volstaan met een minder zware maatregel. In dat geval kan bijvoorbeeld een tijdelijke korting op de uitkering worden opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat het geven van een schop aan een leerling een onacceptabele gedraging is. Van een onderwijsinstelling kan in een dergelijke situatie niet worden verlangd dat zij het dienstverband voortzet. Daarmee stond vast dat sprake was van een dringende reden voor beëindiging van de arbeidsovereenkomst.
Tegelijkertijd kreeg de werkgever gelijk op het punt van de zorgvuldigheid van het onderzoek door het UWV. Het UWV beschikte bij het nemen van zijn besluit niet over alle relevante informatie en had onvoldoende zelfstandig onderzoek gedaan naar de omstandigheden van het geval. Om die reden werd het besluit vernietigd.
De rechtbank kon zich echter wel vinden in het latere standpunt van het UWV dat sprake was van verminderde verwijtbaarheid. Daarbij werden onder meer persoonlijke omstandigheden van de werknemer, gezondheidsproblemen, een lopend behandeltraject en zijn lange staat van dienst betrokken. Ook kon niet worden vastgesteld dat eerder een officiële waarschuwing was gegeven.
Volgens de rechtbank zou een volledige weigering van de WW-uitkering onder deze omstandigheden onevenredig zijn.
Belang voor scholen
Deze uitspraak is vooral relevant voor scholen die eigenrisicodrager zijn voor de WW. De financiële gevolgen van een toegekende WW-uitkering komen in dat geval voor rekening van het bestuur.
De uitspraak maakt duidelijk dat een ontslag wegens ernstig verwijtbaar gedrag niet automatisch leidt tot een volledige weigering van WW. Het UWV moet steeds een zelfstandige beoordeling maken van alle relevante feiten en omstandigheden. Daarbij kunnen persoonlijke omstandigheden van de werknemer van invloed zijn op de uiteindelijke maatregel.
Voor eigenrisicodragers onderstreept deze uitspraak het belang om UWV-besluiten kritisch te beoordelen en, indien nodig, bezwaar of beroep in te stellen.