De achterliggende maanden is het accreditatiestelsel voor het funderend onderwijs naar het voorbeeld vanuit de zorgsector door de PO-Raad, in samenwerking met de VO-raad en de VvOB opgezet. Dit initiatief lijkt in het regeerakkoord ook ondersteund te worden vanuit het kabinet. Accreditatie van bestuurders in het funderend onderwijs is geen losstaand initiatief, maar vloeit voort uit de bredere professionaliseringsagenda van de sector, zoals die onder andere door de PO-Raad is vormgegeven. In deze context is accreditatie inmiddels verankerd in de Governancecode Funderend Onderwijs.
Concreet betekent dit dat alle bestuurders in het funderend onderwijs uiterlijk in 2031 geaccrediteerd dienen te zijn. In de governancecode is vastgelegd dat het statutair bestuur zich dient te accrediteren.
Maar als we dit dit principe vertalen naar de praktijk van verschillende bestuursmodellen, rijst al snel de vraag: om wie gaat het nu precies?
Accreditatie en bestuursmodellen
In een two-tier model, met een scheiding tussen een College van Bestuur en een Raad van Toezicht, is het helder: het College van Bestuur is het statutair bestuur en valt daarmee onder de accreditatieverplichting. De toezichthouders in de Raad van Toezicht blijven buiten deze verplichting.
Complexer wordt het in een one-tier model met een toezichthoudend bestuur. In dit model is er in sommige gevallen sprake van een statutaire directeur-bestuurder, naast toezichthoudende bestuursleden. Na afstemming met de PO-Raad is duidelijk geworden dat in deze constructie de statutaire directeur-bestuurder geaccrediteerd kan worden. De toezichthoudende bestuursleden hoeven in dat geval niet te worden geaccrediteerd.
Een andere situatie doet zich voor bij het mandaatsmodel. Hier is het statutaire bestuur in feite toezichthoudend, terwijl er geen statutair vastgelegd uitvoerend bestuur bestaat. De uitvoering is gemandateerd aan een functionaris. In dit model blijkt de accreditatieplicht lastig te plaatsen: de gemandateerde kan zich niet laten accrediteren, terwijl het ook niet passend is dat toezichthouders zich laten accrediteren. De PO-Raad houdt op dit moment vast aan het accrediteren van het statutaire bestuur, waarmee het voltallige toezichthoudende bestuur in dit geval geaccrediteerd zou moeten worden. Daarmee ontstaat een knelpunt in relatie tot de accreditatieverplichting. Hierover blijft de VGS met de PO-Raad in gesprek. Hoe dit zich richting 2031 verder zal ontwikkelen, is op dit moment nog niet duidelijk. Voor besturen die hun governance-structuur heroverwegen, kan dit echter wel een belangrijke afweging zijn om te kiezen voor een model met een statutair directeur-bestuurder.
Eenduidig en doelmatig
VGS heeft in de gesprekken met de PO-raad benadrukt dat accreditatie van onderwijsbestuurders een ontwikkeling is die past bij de bredere professionalisering van de sector. Schoolleiders kennen de verplichting tot (her)registratie, maar voor bestuurders bestond deze verplichting nog niet.
Tegelijkertijd moet het systeem eenduidig en doelmatig zijn en daadwerkelijk bijdragen aan beter onderwijs. Voorkomen moet worden dat het ‘vinkje’ van de accreditatie leidt tot een schijnwerkelijkheid van het uitsluiten van risico’s. In de podcast die wij opnamen met de PO-Raad over dit thema komt dit aspect ook uitgebreid aan de orde.
Het is goed dat er een koppeling met het schoolleidersregister is en dat er binnen de accreditatiesystematiek ruimte is voor het verschil in schaalgrootte. Dit geeft schoolleiders die tevens bestuurder zijn ruimte en voorkomt onnodige administratieve lasten. We hebben tevens aandacht gevraagd voor de diversiteit in bestuursmodellen.
De komende jaren, richting de volledige invoering in 2031, zal verdere uitwerking op het punt van de bestuursmodellen nodig blijven. Daarbij is het van belang dat de praktijk van besturen en de bedoeling van de governancecode met elkaar in balans blijven.