12 februari 2018

Reactie minister Slob op kamervragen bij ‘oppotten geld’

Administratiekantoor, VGS, Reformatorisch onderwijs, Onderwijs, ProActive

Minister Slob heeft op 31 januari jl. kamervragen beantwoord over het oppotten van geld door schoolbesturen. De vragen werden gesteld door kamerlid Westerveld van GroenLinks, naar aanleiding van berichtgeving in de media.

De minister herkent zich niet het signaal dat schoolbesturen structureel te voorzichtig begroten en dus geld oppotten. De vermogenspositie van de besturen is in de afgelopen jaren wel toegenomen. Tegelijk constateert de Inspectie van het Onderwijs dat besturen met ruimere marges meer investeren, terwijl besturen die er financieel zwakker voorstaan juist een behoudend begrotingsbeleid voeren.

De voorzichtigheid waarmee schoolbesturen begroten is soms bewust om zo ruimte te creëren voor toekomstige investeringen. Andere redenen zijn onverwachte loon- en prijsbijstellingen in de bekostiging en de druk van het interne toezicht.

De gemiddelde liquiditeit en solvabiliteit ligt in het primair onderwijs hoger dan in andere onderwijssectoren. De minister verklaard dit door het gegeven dat er in het primair onderwijs over het algemeen sprake is van kleinere besturen dan in de andere sectoren. Kleinere besturen houden relatief grotere marges aan om mogelijke risico’s op te vangen. Ook hebben veel scholen in het primair onderwijs geen langlopende schulden om bijvoorbeeld de schoolgebouwen mee te financieren. De gemeenten dragen hier immers zorg voor. Dit is ook een reden waarom de kengetallen hoger uitkomen.

De minister onderschrijft wel de mening dat onderwijsgeld zoveel mogelijk moet worden ingezet voor het verzorgen van onderwijs. Het is daarom van belang dat schoolbesturen met grote reserves concrete plannen hebben voor de inzet ervan. Wanneer een grote reserve gepaard gaat met slechte onderwijskwaliteit is dat voor de inspectie reden om het gesprek met het bestuur aan te gaan. De minister geeft aan de horizontale verantwoording belangrijk te achten.

Samenwerkingsverbanden:
Ook als het gaat om de samenwerkingsverbanden stelt de minister geen maximale grens aan de financiële reserves voor. De samenwerkingsverbanden verschillen in omvang, inrichting en beleidvoerend vermogen. Juist vanwege deze verschillen is het stellen van grenzen aan de reserves niet wenselijk. Wel wordt de verantwoording via het jaarverslag aangescherpt. Hiermee wil de minister voorkomen dat baten en lasten op verschillende wijze geboekt worden.

Wilt u eens sparren over ‘voorzichtig begroten’ en manieren om de reserves beleidsrijk in te zetten? Neem dan contact op met ondergetekende of een van de andere financiële adviseurs.

Heeft u een vraag?

Neem dan contact op met Martha Koelewijn-Terlouw BEc
  m.koelewijn@vgs.nl
  0180-44 26 92
  06-51 51 29 74