Nulmeting Goed bestuur Primair Onderwijs
12 augustus 2011 |
Opbrengsten, intern toezicht, Code, governance, Goed bestuur
Eén van de onderdelen van de wet ‘Goed onderwijs, goed bestuur’ is de verplichte opstelling van een sectorcode Goed bestuur. De leden van de PO-raad hebben in navolging hiervan in januari 2010 de Code Goed Bestuur Primair Onderwijs goedgekeurd. In opdracht van de PO-raad voert de Hogeschool van Amsterdam in samenwerking met de Radboud Universiteit Nijmegen de monitor Goed Bestuur in het primair onderwijs uit. In deze monitor wordt onderzocht in welke mate schoolbesturen in het PO werk maken van Goed Bestuur en hoe de implementatie van de Code verloopt. De eerste monitoring (nulmeting) is uitgevoerd in het najaar van 2010.
Representativiteit
De eerste conclusie is dat ongeveer de helft van de schoolbesturen de Code Goed Bestuur hanteert. Een tweede conclusie uit het rapport is dat 72% van de schoolbesturen reeds intern toezicht heeft in oktober 2010. De auteurs van het rapport tekenen daarbij aan dat de samenstelling van de responsgroep niet volledig gelijk is aan het gehele PO-veld. Met name kleine(re) schoolbesturen en schoolbesturen met een Protestants-christelijke signatuur zijn ondervertegenwoordigd. De conclusies die getrokken zijn in het rapport moeten daarom ook in het licht hiervan beoordeeld worden. Dit gegeven maakt dat de uitkomsten van de monitor niet 1-op-1 doorvertaald kunnen worden naar de VGS-scholen. In het najaar 2010 was de interne toezichtsfunctie bij minder dan 10% van de VGS-scholen ingevoerd, beduidend minder dan het landelijk gemiddelde.
Bestuurlijke inrichting
De inrichting van intern toezicht is divers. ‘Krap éénderde (30%) doet dit door het bestuur de toezichthoudende functie te geven en de bestuurlijke functie te beleggen bij het bovenschoolse management of de schoolleiding via volmacht, mandaat of delegatie. Bij 17% van de schoolbesturen heeft de ALV de toezichthoudende functie toebedeeld gekregen. Ruim éénvijfde (22%) van de schoolbesturen hanteert het raad-van-toezichtmodel voor het structureren van bestuur en intern toezicht, en 4% doet dit met het éénlaagsmodel, waarbij de functie van intern toezicht en bestuur in één orgaan zijn belegd (p4).’
De auteurs merken vervolgens op dat ‘[het] opvallend is dat van de schoolbesturen die aangeven intern toezicht te gaan instellen een kwart (24%) dit wil gaan doen via het éénlaagsmodel. Op grond hiervan mag verwacht worden dat de komende periode het éénlaags- of onetiermodel een gangbaar bestuursmodel wordt in het primair onderwijs (p5).' Deze conclusie sluit naadloos aan bij de inrichting van intern toezicht die bij de VGS-scholen waargenomen wordt. Daar is te zien dat ongeveer een derde tot de helft van de schoolbesturen gekozen heeft voor de functionele scheiding (one-tier), al dan niet met opname van een (algemeen) directeur in het bestuur. Ongeveer een kwart tot een derde van de schoolbesturen heeft gekozen voor het uitbreiden van het mandaat aan de directeur, waarbij de directeur de feitelijke rol van bestuur gaat vervullen. Een kwart van de besturen heeft tenslotte gekozen voor een toezichtscommissie uit de ledenvergadering. In een aantal gevallen zijn besturen die voor dit laatste model gekozen hebben een samenwerking aangegaan om de krachten op het gebied van intern toezicht te bundelen, waarbij de autonomie bij de ledenvergaderingen blijft berusten.
Uitvoering intern toezicht
Uit de nulmeting blijkt dat een ruime meerderheid de onderlinge verhoudingen goed verankerd heeft in juridische documenten. Met betrekking tot de uitvoering van intern toezicht wordt geconstateerd ‘dat het zelf actief informatie verwerven door het interne toezicht, een cruciaal aspect van de toezichtstaak, geen gemeengoed is. Een minderheid van het interne toezicht (37%) doet dit. Ook een tweede aspect van de toezichtstaak, oordeelsvorming, blijkt bij een minderheid van het interne toezicht (39%) expliciet en systematisch te gebeuren op basis van een toetsingskader (indicatoren) (p5).’
Veel toezichthouders zullen deze conclusies herkennen. Tegelijkertijd dient in het oog gehouden te worden dat het ontwikkelen van indicatoren, het vinden van evenwicht tussen informatie vragen en informatie krijgen een ontwikkeling is. Goede formats kunnen hierbij dienen als krachtige hulpmiddelen. Tegelijkertijd vraagt toezichthouden vaak ook om een gedragsverandering, een verankering van een nieuwe rol die past bij het gekozen model.
Toezicht houden op kwaliteit en opbrengsten
De monitor geeft naast de inrichting en uitoefening van intern toezicht ook informatie over de wijze waarop toezicht gehouden wordt op onderwijsopbrengsten en –kwaliteit. In een volgend artikel zullen de conclusies uit de monitor die daar op ingaan aan de orde komen.
L.P. (Leonard) Niewenhuijse BSc
T 0180-44 26 97
E l.niewenhuijse@vgs.nl
