Informatie over financieel toezicht
8 december 2011 |
Financieel toezicht, financieel, Inspectie
Sinds 2008 geschiedt het financiële toezicht door de Inspectie van het onderwijs. In de loop der tijd is door de scholen regelmatig correspondentie ontvangen over de manier waarop de Inspectie dit toezicht vormgeeft. De Staatscourant van 24 november (nr. 21154) geeft een overzicht van de inmiddels beschikbare informatie. In het kort komt het erop neer dat de Inspectie zal toetsen op drie zaken: de financiële continuïteit, de financiële doelmatigheid en de financiële rechtmatigheid van bekostiging en besteding. Over het algemeen geldt wat betreft de Inspectie: geen nieuws is goed nieuws. Toch is het ook bij geen nieuws belangrijk te weten hoe de Inspectie toetst.
Financiële continuïteit
Om te beoordelen of het bevoegd gezag (het bestuur) op de korte en langere termijn kan voldoen aan haar financiële verplichtingen wordt de financiële positie van het bestuur beoordeeld. Dit gebeurt aan de hand van de kengetallen liquiditeit, solvabiliteit en rentabiliteit. Voor de liquiditeit en solvabiliteit houdt de Inspectie een ondergrens aan van respectievelijk 0,5 en 0,2. Voor de rentabiliteit wordt uitgegaan van een resultaat op lange termijn rond de nullijn. Liggen de kengetallen (liquiditeit en/of solvabiliteit) van een bestuur onder deze ondergrens, dan wordt gekeken wat de trend van de afgelopen jaren is. Het kan echter ook zo zijn dat de kengetallen boven de ondergrens liggen, maar dat er sprake is van een zorgwekkende (negatieve) trend. Mochten de kengetallen aanleiding geven tot een verdere verkenning, dan kan externe informatie (van ouders, personeelsleden en OCW) worden ingewonnen. Dit leert dat het als bestuur verstandig is goed om te gaan met alle stakeholders (belanghebbenden). Negatieve geluiden kunnen immers invloed hebben op het toezicht van de Inspectie.
Wat betreft berichten in de media is er zelfs sprake van continue monitoring. Wordt de naam van uw bestuur genoemd in berichtgeving (positief dan wel negatief), dan worden deze berichten automatisch doorgespeeld aan de Inspectie.
Naast de financiële positie wordt ook het financieel beheer beoordeeld. De vraag die hierbij gesteld wordt: maakt het bestuur gebruik van adequate middelen voor planning en control om de financiële positie te beïnvloeden (zowel op korte als langere termijn)? De indicator die hierbij door de Inspectie gebruikt wordt is het hebben van een gedegen meerjarenbegroting.
What if
Mocht de Inspectie reden hebben om aan te nemen dat de continuïteit van het bestuur in het geding komt, dan zal de Inspectie altijd eerst contact opnemen met het bestuur. Verscherpt toezicht komt dus nooit uit de lucht vallen en een goede visie op het verlagen van deze risico’s kan invloed hebben op de vervolgstappen van de Inspectie. De mate van toezicht door de Inspectie zal vervolgens altijd samenhangen met de ‘aard en omvang’ van het risico.
Financiële doelmatigheid
Waar de Inspectie bij de financiële continuïteit controleert of scholen voldoen aan een ondergrens, wordt bij de doelmatigheid het tegenovergestelde beoordeeld. Een bestuur mag niet vermogender zijn, ofwel meer reserves aanhouden, dan wat redelijkerwijs nodig is voor een ‘normale bedrijfsvoering’. Het kengetal dat hiervoor gebruikt wordt is de kapitalisatiefactor. Voor kleine besturen geldt een bovengrens van 60%. Ligt de kapitalisatiefactor boven de 60% en valt de school onder de (zeer) zwakke scholen of ligt de kapitalisatiefactor boven anderhalf keer de norm (=90%), dan volgt bezoek van de Inspectie. Er zijn echter een aantal kanttekeningen te maken bij deze norm. Om te beginnen wordt bij de kapitalisatiefactor geen onderscheid gemaakt tussen privaat en publiek vermogen. Aangezien de Inspectie slechts zeggenschap heeft over het aanwenden van publieke middelen, moeten de private reserves hier dus op gecorrigeerd worden. Ten tweede wordt bij kleine besturen nog altijd gesproken over besturen tot een totaal batenniveau van 5 miljoen euro (per jaar). Aangezien veel besturen uit onze achterban tot deze categorie behoren, kunnen de financiële risico’s groter dan het groepsgemiddelde (immers minder risicospreiding; daar staan anderzijds ook grote voordelen tegenover die gelukkig niet door de inspectie worden meegewogen). Het is derhalve verdedigbaar dat relatief hoge reserves worden aangehouden. Ten slotte geldt voor eigenrisicodragers dat de reserves significant hoger moeten zijn dan scholen die aangesloten zijn bij VF/PF. Aangezien de Inspectie hier geen rekening mee houdt, zal zij eigenrisicodragers altijd als erg vermogende scholen zien. Je zou kunnen zeggen dat het zijn van eigenrisicodrager niet valt binnen wat de Inspectie beschouwd als normale bedrijfsvoering.
Financiële rechtmatigheid
Tot slot controleert de Inspectie of de verkregen middelen rechtmatig worden verkregen en besteed. Bij eerstgenoemde moet bijvoorbeeld worden gedacht aan juiste opgave van leerlingen. Aangezien dit eigenlijk een vanzelfsprekendheid moet zijn, is met name het tweede punt interessant. Dat het kopen van een nieuwe auto voor de directeur onrechtmatig is, zal voor iedereen helder zijn. Het wordt echter lastiger wanneer een school nadenkt over het renoveren van een schoolplein of het uitbreiden van de lokalen. Mag dit vanuit rijksmiddelen betaald worden en/of kunnen de private vermogens hiervoor aangesproken worden? In de meeste gevallen kan dit worden beantwoord door het programma van eisen. Bij twijfel verdient het aanbeveling contact op te nemen met uw relatiebeheerder of één van de financieel adviseurs. Zie hierover ook dit artikel.
C.IJ. (Christiaan) Bijl BSc
T 0180-44 01 85 / 06-13 14 78 58
E c.ij.bijl@vgs.nl
